Orpheus en De Aap

 

Mijn broer is dood. Ik heb daar veel verdriet van gehad, en nog steeds. De clichés die over de dood worden gebezigd, komen van alle kanten op me af, als vliegen op een bezweet lichaam.
De leegte die hij achterlaat.
De dingen die ik hem nog had willen zeggen en vragen.
De schuldgevoelens (het betrof een zelfmoord).
De onbegrijpelijkheid.
De plotselinge banaliteit van alles.

Er met anderen over praten bevredigt niet. Het veroorzaakt gevoelens van schaamte, net als praten over kunst, religie en seks. ‘De taal schiet tekort’, nog zo’n hulpeloze gemeenplaats.

Wat ik nu ga vertellen, gaat niet over het verwerken van de dood van mijn broer. Het is ook geen droevige of blijde herinnering aan hem. Het is een verhaal dat het midden houdt tussen deze twee dingen, of vager en juister, een gebeurtenis die zich heeft afgespeeld op de middelloodlijn tussen Broer Levend en Broer Dood.

Ik houd mijzelf voor een redelijk intelligent mens. Daarom kan ik eigenlijk niet geloven dat het verhaal op werkelijkheid berust. Toch herinner ik het mij even duidelijk als de boodschappen die ik vanmorgen heb gedaan: twee krentenbollen, drie blikken rundvlees met hart voor de poes, een zak drop en een fles chloorbleekmiddel. Ik heb het verhaal waarachtig niet gedroomd. Hoe weet je dat? Zoiets weet je gewoon. Later kom ik hier nog op terug.

Een herinnering, waarschijnlijk onwaar, geen droom… Hoe het ook zij, dit is wat er gebeurde.

Het was donderdagnacht, enige maanden geleden. Vera was, zoals zo vaak, snel in slaap gevallen. Ik lag na te denken, en mijn gedachten dreven weer naar mijn broer. Ik draaide me om om naar onze aapjes te kijken, die op de hoek van het bed zaten, geleund tegen het nachtkastje. Aap, ook wel De Aap, de grootste van de twee, had aan mijn broer toebehoord. Hij had Aap een paar jaar geleden van de vuilnisman gered. Ik op mijn beurt had hem twee dagen na het overlijden van mijn broer gered van de gruwelijke, mij onbekende instantie die huizen van overledenen ontruimt. Een van de ontruimers, misschien een pikzwarte Surinamer, getrouwd met een blonde Nederlandse vrouw, zou De Aap hebben kunnen meenemen voor zijn prachtige lichtbruine zoontje van vier, maar waarschijnlijk is dat niet. Aaps lot zou zo goed als zeker een vuilverwerkingsbedrijf zijn geweest, waar hij in rook zou zijn opgegaan, net als mijn broer, maar dan zonder plechtigheid.

Het sprak vanzelf dat ik het was die hem meenam. Ik ben de enige in de familie die mijn broers liefde voor knuffelbeesten deelde.

Aap dus. In het begin was hij vooral een troostende aaiaap, een herinneraar. Hij is 26 centimeter hoog, donkerbruin, harig, en hij heeft een dik achterwerk met een driehoekig staartje. zijn handen, voeten, snoet en oortjes hebben een gezond roze kleurtje. Als hij schoon is, zijn zijn haren wit. De oortjes staan een beetje uit en doen, net als zijn grote glazen ogen, denken aan mijn broer zelf.

Al snel gingen Vera en ik hem niet alleen waarderen als trooster, maar ook als Aap. Geen wonder. Hij is expressief als geen ander knuffelbeest dat ik ooit gezien heb. Zelfs mijn oude beer Bruin haalt het niet bij Aap. Iedere (ex-)eigenaar van een knuffel weet dat die dingen van stemming kunnen wisselen. Flauwe psychologische verklaringen daarvoor wens ik niet te accepteren. Ook De Aap, vooral De Aap, beheerst een heel scala aan emoties. Hij glimlacht soms triest, en in zijn ogen lees je herinneringen aan lang geleden, aan verre landen.

Het werd onze gewoonte met De Aap te ‘praten’. zijn lange armen zijn uitstekend geschikt om hem allerlei gebaren te laten maken:

Armen omhoog = Weet niet.
Kruiselings over zijn buik = Lief, houden van.
Vegen over de ogen = huilen, verdriet.
Hand voor de mond, snuit beweegt op en neer = Lachen.
Enzovoorts, een steeds langer wordende lijst.

Na enige tijd merkten we dat De Aap naar een levensgezellin begon te verlangen. We vonden na lang zoeken een geschikte in de HEMA, een klein lichtbruin aapje, vrolijk, speels, duidelijk jonger dan Aap. We noemden haar Puk, en Vera maakte een groen jasje voor haar, met bijpassende rode strik. Voor Aap had ze al eerder een vrolijke tuinbroek in elkaar gezet, met een ingenieuze oplossing voor zijn staartje. In samenwerking met Aap en Puk breidden we onze ‘apentaal’ verder uit. Ook familie en vrienden werden erop getrakteerd, wat reacties opleverden die varieerden tussen vrolijk meedoen en meewarig het hoofd schudden. Vanzelfsprekend waren ze ook ’s nachts in de buurt. soms bij ons onder het dekbed, meestal, zoals ook deze donderdagnacht, op het hoofdeinde van het bed.

Ik was juist aan het overwegen De Aap bij me te pakken en Puk voorzichtig in de armen van mijn slapende geliefde te duwen zodat zij (Puk) niet eenzaam achter zou blijven, toen ik (wie schetst mijn verbazing) Aaps rechterarm zag bewegen. Het handje werd loodrecht tegen de rode draadmond gelegd. Ik kneep mezelf niet in mijn arm. Dat is een belachelijke, onzinnige handeling die dan ook alleen door helden van kinderboeken en tweederangs thrillers pleegt te worden verricht. Immers: het enige resultaat is de gedachte dat je wakker bent, maar waarom zou je die gedachte in een droom niet kunnen hebben? Wel vroeg ik me even af of ik droomde, maar die twijfel hief zichzelf op. Ofwel je bent je in een droom niet van je slaaptoestand bewust, ofwel het inzicht breekt plotseling door en je ontwaakt. Twijfel bestaat niet in een droom, althans niet bij mij.

Ik gehoorzaamde Aap en wachtte op verdere instructies. Dit was een eenmalige gebeurtenis en ik moest meewerken. Hij gebaarde dat Puk en Vera moesten blijven slapen en dat wij samen weg zouden gaan.

‘Zijn zij dan niet bang als ze wakker worden en zien dat we er niet zijn?’ vroeg ik, ook in apentaal.

‘Nee, ze blijven slapen tot we terug zijn. Luister goed naar me. Doe wat ik zeg. Trek alleen een broek aan. Geen schoenen, geen trui. Jij draagt mij. Ik wijs waar we heen gaan. Praat alleen tegen me in apentaal.’

Aaps ogen stonden streng en plechtig. Ik klom voorzichtig uit bed en haalde twee broeken uit de kast. Ik toonde ze aan De Aap en haalde vragend mijn schouders op. Hij wees de korte aan.

‘Het is warm buiten.’

Ik keek op onze wekker en constateerde dat het vier minuten voor vier was, pakte De Aap, die even zacht en pluizig aanvoelde als anders, liep de slaapkamer uit en opende zo stil mogelijk de voordeur. Wat ik buiten zag, verbijsterde me veel meer dan Aaps optreden. Dat De Aap zomaar zelf was gaan ‘praten’, dat paste in mijn wereldbeeld. Het was wonderlijk, niet onmogelijk. Ik had in mijn jeugd al zo vaak gefantaseerd dat mijn beer Bruin tot leven kwam om met mij te gaan wandelen, knikkeren, tekenen en wat niet al. Maar het straatbeeld dat zich hier aan mij openbaarde, was van een heel andere orde. Hoewel de straatverlichting niet aan was, was het maar halfdonker, alsof we ons in de buurt van de poolcirkel bevonden. Het was druk op straat, drukker dan het normaal ooit is in deze Amsterdamse woonbuurt. Mensen van alle leeftijden, geslachten en huidskleuren. Allen, ook de vrouwen, zonder enige bovenkleding en blootsvoets. Sommigen hielden een knuffelbeest in hun handen. Ze zaten op de stoeprand of zomaar midden op straat, of ze liepen doelloos heen en weer, zes meter ergens heen en weer terug. Niemand praatte met iemand, met woorden noch met gebaren. Er waren geen vervoermiddelen te zien. Het was doodstil. Ik rook de geur van asfalt na een verkwikkende zomerbui, maar straat en stoep waren droog.

Aap tikte op mijn hand en keek me aan.

‘Je hoeft niet bang te zijn. We gaan naar de trein. Schiet op!’

Ik trok de deur achter me dicht, niet voorzichtig deze keer. Zoals ik verwachtte , gaf dit geen geluid. Ik had het, enkel gekleed in mijn korte broek, inderdaad niet koud, al was het oktober. Het? Dat was oktober, dit was iets anders.

‘Zij zullen niet naar jou kijken. Kijk ook niet naar hen. Vooruit!’

Ik aarzelde. “Wat gebeurt er als ik wel naar hen kijk?’

‘Kijk niet naar hen.’

Ik drukte De Aap tegen me aan en begon te lopen. Ik voelde me nu alsof ik iets onherroepelijks was begonnen. De Rubicon over, een liefdesbrief op de post. Aaps ‘niet kijken’ interpreteerde ik als ‘niet aankijken’. De enorme drukte maakte het onmogelijk niet naar de mensen te kijken.

Niet alleen hun gedrag was wonderlijk; ook hun uiterlijk week af van de werkelijkheid, dat door iedereen geaccepteerde maar door niemand begrepen woord dat volgens schrijver N. alleen tussen aanhalingstekens gebruikt mag worden. Hun blote voeten waren schoon, evenals de rest van hun zichtbare lichaamsdelen. Hun teennagels waren verzorgd en bij iedereen gelakt. Vingernagels idem dito. Nergens vlekjes, wondkorsten of zweetglimmingen. Het opvallendst was de totale afwezigheid van lichaamshaar. Ieder individu had een soort omgekeerde boomgrens: geen haargroei tot schouderhoogte. De aanwezigheid van schaamhaar kon ik niet controleren, maar het staat voor mij vast dat ze ook daar kaal waren als Griekse beelden. Ik vraag me nu af of de geslachtsdelen zelf misschien ook ontbraken.

Zo snel mogelijk zocht ik een weg door dit macabere oerwoud van ik-weet-niet-watten. Ik was de enige die haast had. Zoals de man die zijn zieke oude moeder in Amsterdam bezocht, niet wist dat er juist die dag een demonstratie tegen kernwapens was, en zich nu tussen de vals zingenden met spandoeken heen moest wringen, zo bewoog ik mij voort.

Ongeveer elf minuten later waren we op het station. Ik liep naar de gele borden. Aap wees op ‘richting Utrecht’. Eindelijk begreep ik, of meende te begrijpen, wat we gingen doen. Ik begon te beven over mijn hele lichaam. De Aap wachtte rustig tot ik bedaard was, hij streelde intussen mijn hand Het gele bord gaf geen tijden aan, sowieso waren er nergens klokken te zien. Ik liep naar het betreffende perron. Er stond een trein klaar die bestond uit een locomotief en een enkele eersteklaswagon (niet-roken). Ik aarzelde weer. Er was geen conducteur in zicht, er was helemaal niemand op dit perron. Op de andere perrons die ik kon zien, was het daarentegen net zo druk als op straat. De Aap wees naar de openstaande deur en ik stapte in. Natuurlijk ging de deur vanzelf dicht, natuurlijk begon de trein vanzelf te rijden. Nog steeds was er nergens kunstverlichting.

Ik ging bij het raam zitten. Aap daalde vanuit mijn handen af tot op mijn knie en sprong van daar op de stoel tegenover me. Hij keek me strak maar niet onvriendelijk aan. Taxerend, leek het wel, maar dat kan interpretatie achteraf zijn. Ik kon op dat moment nog niet weten wat hij van mij verwachtte.

Zoals hij daar zat was De Aap allang niet meer het perfecte huisdier dat jonge en oude knuffelbezitters van hun stoffen voorwerp (meer is het immers niet?) maken. Een huisdier dat geen eten hoeft, geen uitwerpselen produceert en geen postbodes in hun billen bijt. Dat doet wat jij wilt, al dan niet bewust. Heb ik eerder iets anders gesuggereerd? Ook goed. Deze Aap, die mij in een privétrein op weg naar mijn broer zat aan te kijken, was door tot leven te komen niet mijn gelijke maar mijn meerdere geworden. Ik beleefde het huiveringwekkendste avontuur van mijn leven onder leiding van een stoffen aapje dat zeven en een half keer zo klein was als ik zelf. Wie ons reisdoel was, wist ik. Maar wat we eenmaal bij hem aangekomen zouden ondernemen, daar durfde ik niet over na te denken. (Rond mijn hoofd fladderde als een vleermuis een vermoeden.) Evenmin durfde ik het aan De Aap te vragen.

We waren pas bij Abcoude. Ik begon ons zwijgen, voor zover daar in deze toestand sprake van kon zijn (ook de trein maakte geen geluid) gênant te vinden. Stel je voor: twee negentiende-eeuwse Russen samen in een calèche op weg naar de stille plek bij de rivier waar zij een duel zullen uitvechten. Zo ging het natuurlijk niet, maar stel je voor. Zij zouden vanzelfsprekend niet over hun duel spreken, of over de aanleiding daartoe. Zij zouden politieke of literaire nieuwtjes uitwisselen, of anekdotes vertellen over een maaltijd bij graaf B. Zwijgen zou onverdraaglijk zijn.

Ik gebaarde naar De Aap: ‘Heb je geen honger?’ Hij schudde zijn kop.

‘Zelfs geen trek in een banaan?’ Ook niet. Hij speelde mijn spel niet mee.

Ik keek naar buiten en zag het grote failliete Chinese paradijsrestaurant, dat in die tijd nog slechts diende als gespreksstof voor onervaren Amsterdam-Utrecht-reizigers. Hoe het er nu voor staat, weet ik niet. De anders troosteloos verlaten paadjes in de zogenaamd Chinese tuin waren vol met mensen die elkaar niet aankeken. De Aap wierp een korte blik naar buiten, maar toonde geen speciale interesse. bijna glimlachend herinnerde ik mij de treinreis naar Hongarije afgelopen zomer. De aapjes hadden we natuurlijk meegenomen. Onze coupégenoten: een vriendelijk ouder echtpaar en een rustig lezende student. In dit prettige gezelschap zagen wij er geen been in Aap en Puk tevoorschijn te halen. Wat waren ze enthousiast! We zaten bij het raam en lieten de aapjes naar buiten kijken. Gebouwen, bossen, de Rijn, alles bekeken ze met kinderlijke gretigheid, onder het slaken van uitroepen in apentaal.

Nu niets van dat alles. De Aap leek meer op een vermoeide oude man dan op een kleine kleuter voor wie alles nieuw is.

De trein begon vaart te minderen. We reden geluidloos het station van Utrecht binnen. Noch in Amsterdam, noch hier, noch onderweg had ik andere treinen gezien. Wel was het ook in Utrecht CS vol met halfnaakte mensen met gelakte nagels en zonder lichaamsbeharing. Behalve op het perron waar ik binnenreed, daar was niemand. Ik pakte De Aap op en we stapten uit. Zonder Aaps aanwijzingen nodig te hebben liep ik een stilstaande roltrap op en even later een andere af, naar de stadsbussen. Er stond er slechts één. Bij de goede halte. Met een dikke chauffeur wiens blote buik over zijn broek kwabbelde. Hij keek me niet aan toen ik instapte. Terwijl de bus optrok, liep ik helemaal naar achteren, met mijn ene hand De Aap vasthoudend, met de andere steun zoekend aan de stoelen.

Ach, wat te vertellen over de busreis? Ik begon al te wennen aan de wereld waarin ik verzeild was geraakt. Overal was het hetzelfde. Alleen ik was anders. Ik was harig en werd vervoerd.

De bus stopte en we stapten uit. Onnodig te vermelden dat mijn angst gedurende de trein- en busreis gestaag was toegenomen. Als een washand die door een klein waterstraaltje langzaam maar zeker wordt doordrenkt. Ik zweette nu ook als een otter, ik wel. De Aap gebaarde dat ik snel moest lopen. Was hij dan verdomme niet bang? Tijdens deze laatste negentig meter besefte ik dat Aap, levend als hij was, de hele reis geen enkele emotie getoond had. Diezelfde Aap, van wie in zijn carrière als levenloze knuffel blijdschap en verdriet zo krachtig afstraalde dat de grootste prozaïsche botterik het kon zien, leek nu beheerst en emotieloos als een veiligheidsagent.

Het pad naar de voordeur. Het naamplaatje.

Aap tikte op mijn hand.

‘Luister nu heel goed. Ik vertel wat je moet doen. Je zet mij neer. Dan druk je op de bel. Je mag Chris heel even bekijken (de apenhandjes gaven een afstand van enkele centimeters aan; zo kort!) en dan draai je je om. Bus, trein, naar huis. Wij komen achter je aan. Al die tijd mag je niet omkijken. Al die tijd mag je niet omkijken.’

Dat was het dus. Ik had, voor zover ik überhaupt al over het precieze doel van de reis had durven nadenken, slechts gerekend op een ontmoeting, een gesprek (de vleermuis). Een soort bizarre spiritistische seance, met De Aap als medium. Maar op deze apotheose had ik niet gerekend. Onmiddellijk verzette alles in mij zich ertegen. Mijn broer zou herrijzen? Maar hoe moest dat dan? Zouden zijn problemen plotseling zijn opgelost? Zou hij plotseling zijn opgewassen tegen zijn eigen onmacht? En hoe zou de maatschappij omgaan met een succesvolle zelfmoordenaar, vergeef me de paradox? Heeft ons aan instanties zo rijke land nog een plaats voor hem?

Iemand die alle schepen achter zich heeft verbrand en dan terug wil per helikopter.

Ik wilde het niet. God weet waarom en ik ben zelf te laf om de ware reden te bekennen.

Maar ik gehoorzaamde, meegaand als ik ben.

Ik zette De Aap net naast het pad in het gras zodat ik hem later niet omver zou lopen. De bel gaf geen geluid en de deur ging onmiddellijk open. Het halletje was leeg. Door het raampje boven de deur naar de woonkamer was precies, o wreedheid, de haak en het eindje touw te zien. Toen ging de deur open. Daar stond hij, in alleen een korte sportbroek. Bijna net zo mager als ik, gelakte nagels, geen lichaamshaar. Gesloten ogen, dezelfde vermoeide trek om zijn mond als de keer dat ik hem het laatste had gezien, bij het ‘afscheid nemen’. Het enige wat ik nog zag voor een huilbui me velde en ik steun zocht bij mijn broer (mijn hoofd op zijn naakte schouder, zijn handen die mijn rug streelden) was, in de hoek van de kamer, een pak Brokkies voor de poes.

Aan elke huilbui komt een einde, na regen komt zonneschijn. Terwijl ik bedaarde, vroeg ik me af of ik niet al te lang naar mijn broer gekeken had. Denk aan de voorschriften! Ik maakte me los uit zijn armen en liep naar buiten, plotseling besluitvaardig. De Aap was opgestaan en keek met gespannen aandacht eerst naar mij en vervolgens naar de deuropening achter mij. mijn poging tot een het-is-gelukt-glimlach zag hij al niet meer. De reisleider telde de koppen en de terugtocht kon beginnen. Maar … hoe vlug mocht ik lopen? Wat is de topsnelheid van een knuffelaap? Ik mocht me niet meer omdraaien om het te vragen. De Aap had een dikke kont en korte beentjes en ik besloot het zekere voor het onzekere te nemen. Wat is langzaam lopen moeilijk! Het was des te moeilijker omdat onze optocht (was het dat wel, kwamen ze wel achter me aan?) plotseling het rijk voor zich alleen had. De andere halfnaakten waren verdwenen en er was niemand om me bij het lopen te hinderen. Negentig meter naar de bus, die zich bij de andere halte, aan onze kant van de weg, had opgesteld. Ik dwong mezelf voetje voor voetje te lopen, alsof ik de afstand mat van een van de grote jeu-de-boulesballen tot het kleine houten balletje. We waren bijna op de helft toen ik ineens zag dat de chauffeur met zijn armen begon te bewegen. Met zijn ogen niet op ons gericht maar op de voorruit maakte hij het apentaalgebaar voor ‘Schiet op!’ en stak twee vingers omhoog. Het vredesteken kon hij niet bedoelen. Nog twee minuten, was dat de betekenis van zijn gebaar? Bliksemsnel schatte en berekende ik: ongeveer 50 meter, 60 : 2 = 30, 30 x 50 = 1500 meter, 1,5 kilometer per uur. Ongetwijfeld liepen we langzamer. Hoe ernstig meende die chauffeur het? Nogmaals, hoe snel was De Aap? Was het wel nodig zo langzaam te lopen? Een ding stond voor mij vast. Als de bus zonder ons zou wegrijden, zou ik geen tweede kans meer krijgen. Er zou geen volgende bus meer zijn. Vera en Puk zouden vergeefs op ons wachten. Ik versnelde mijn pas enigszins, hopend dat De Aap zou ingrijpen als ik te vlug ging. Waarom was hij dan ook niet vooraan gaan lopen om het tempo aan te geven? Waarom in godsnaam kon hij niet zoals steeds gedragen worden? De twee vingers van de chauffeur waren verdwenen, maar de schiet-op-gebaren waren hervat en werden steeds heviger. Ik ging nog sneller lopen. Meer nog dan door de vrees mijn opdracht niet te volbrengen, De Aap voor de eerste en mijn broer voor de tweede keer te verliezen, werd ik gedreven door mijn eigen doodsangst. Nog twee meter, en ik zag dat de hand van de chauffeur zich bewoog naar de knop om de deur te sluiten. Ik rende, maar juist voordat ik naar binnen sprong keek ik in een reflex om. Vlak achter me op de stoep kwam De Aap tot stilstand. Door de dichtdraaiende deur zag ik dat hij me verbijsterd aankeek, verbijsterd over mijn onvergeeflijke blunder. Van mijn broer geen spoor meer. Ik bleef op de treeplank staan, mijn neus tegen het glas van de deur gedrukt. Terwijl de bus optrok zag ik dat Aap neerplofte op zijn achterste en met zijn zwabberende, onhandig gefabriceerde handjes over zijn ogen veegde. Zijn beheersing was verdwenen. Als een kleuter die zijn zin niet heeft gekregen, zo zat De Aap daar op de stoep te huilen.

De terugreis was eender als de heenreis. De halfnaaktenmassa was er weer, ik weet niet op welk moment dat gebeurd is.

Terwijl ik het laatste stukje aflegde, besefte ik dat ik geen sleutel bij me had. Maar deze wereld had geen geheimen meer voor mij. Ik drukte op de bel en de deur ging open.

Binnen was alles normaal. Mijn voetstappen en het dichtslaan van de deur maakten hun vertrouwde geluiden. Ik ging de slaapkamer binnen en hoorde Vera’s slaperige stem: ‘Wat heb jij nou buiten gedaan?’

‘Ik bedacht ineens dat ik mijn fiets niet op slot had gezet.’

‘Alleen in je korte broek? Gekkie! Het is toch hartstikke koud buiten! Kom maar gauw in bed.’

En daar zat ook De Aap.

Enkele nachten later zag ik De Aap weer bewegen. Hij hief zijn armen omhoog ten teken van hulpeloosheid. Maar daar bleef het bij. De volgende morgen concludeerde ik dat het deze keer wél een droom was geweest.

 

Menu